|
AORTA 2012 |
|
|
|
|
|
Datum: |
4 juni 2013 |
|
Versie: |
6.12.0.0 |
|
Referentie: |
|
|
|
|
Nictiz is het landelijke
expertisecentrum dat ontwikkeling van ICT in de zorg faciliteert. |
1 Inleiding 5
1.1 Doel en scope 5
1.2 Doelgroep voor dit document 5
1.3 Documenthistorie 5
2 Definitie van actoren en bedrijfsactiviteiten 6
2.1 Actoren 6
2.2 Bedrijfsactiviteiten 6
3 Domeinconcepten 7
4 Informatiemodel 10
4.1 Overzicht van het informatiemodel 10
4.2 Definitie van de informatieobjecten 10
4.2.1 Patiënt 11
4.2.2 Auteur 11
4.2.3 Conditie 12
4.2.4 Overgevoeligheid 13
4.2.5 Informant 13
4.2.6 Potentiële contra-indicatie 14
4.2.7 Geneesmiddelgroep 14
4.2.8 Toedieningwijze 14
4.2.9 Stoftoedieningwijze combinatie 14
4.2.10 Handelsproduct 14
4.2.11 Geneesmiddel 15
4.2.12 Stof 15
4.3 Gegevenssoorten 15
4.3.1 Conditie 15
4.3.2 Overgevoeligheid 15
Bijlage A 17
Het document beschrijft welke concepten een belangrijke rol spelen in het conditiedomein, en wat hun onderlinge relatie is. Tevens beschrijft het document welke actoren, bedrijfsactiviteiten en informatieobjecten deel uitmaken van het conditiedomein, en beschikbaar zijn om te worden (her)gebruikt in toepassingen.
Condities is een generiek concept dat voor meerdere doeleinden gebruikt zou kunnen worden. Momenteel wordt het binnen de context van AORTA gebruikt voor het kunnen uitwisselen van potentiële contra-indicaties. Hierbij wordt een subset van beschikbare condities door bronsystemen opgeleverd die van belang zijn voor medicatiebewaking (zie [Def medicatiedomein]).
Dit document wordt incrementeel ontwikkeld en vormt onder andere de basis voor ontwerp medicatieproces [Ontw Mp].
De doelgroep voor dit document bestaat uit:
|
Versie |
Datum |
Omschrijving |
|
6.10.0.0 |
12-okt-2011 |
Geherstructureerde versie, vervolg op versie 6.0.5.0. |
|
6.12.0.0 |
4-jun-2013 |
Verwerking
terugkoppeling uit het veld m.b.t. ICA |
Dit hoofdstuk bevat de definitie van de actoren en bedrijfsactiviteiten die zijn ondergebracht in het conditiedomein. Deze definities worden gebruikt om toepassingen te ontwerpen.
Binnen het conditiedomein spelen, naast de patiënt, een verscheidenheid aan zorgverleners en zorgaanbieders een rol. Deze paragraaf geeft een opsomming van actoren die een rol spelen in het conditiedomein.
Tabel GBX.dCON.t2010: Actoren voor het Conditiedomein
|
Actor |
Definitie |
|
Zorgverlener |
Zie definitie medicatiedomein [Def medicatiedomein] |
|
Arts |
Zie definitie medicatiedomein [Def medicatiedomein] |
|
Apotheker |
Zie definitie medicatiedomein [Def medicatiedomein] |
De bedrijfsactiviteiten die tot dit domein behoren zijn:
Tabel GBX.dCON.t2020: Bedrijfsactiviteiten voor het Conditiedomein
|
Bedrijfsactiviteit |
Definitie |
|
conditie vaststellen |
Het vaststellen van een conditie is het stellen van een hypothese met betrekking tot een patiëntkenmerk. |
|
diagnose vaststellen |
De diagnose vaststellen is het formuleren van een hypothese met betrekking tot een medisch toestandsbeeld van een patiënt. |
Dit hoofdstuk beschrijft de concepten (actoren, informatieobjecten, fysieke objecten) die een belangrijke rol spelen in het conditiedomein. De definitie van deze concepten en de onderlinge relaties tussen deze concepten vormen de basis voor de inrichting van het informatiemodel voor dit domein.

Diagram GBX.dCON.d2010: Overzicht van de domeinconcepten binnen het Conditiedomein en hun onderlinge relaties
Tabel GBX.dCON.t2030: Domeinconcepten binnen het Conditiedomein
|
Domeinconcept |
Definitie |
|
Patiënt |
Zie definitie medicatiedomein [Def medicatiedomein] |
|
Zorgverlener |
Zie definitie medicatiedomein [Def medicatiedomein] |
|
Geneesmiddel |
Zie definitie medicatiedomein [Def medicatiedomein] |
|
Conditie |
Een conditie (letterlijke vertaling van de Engelse term condition) is een patiëntkenmerk, ofwel een een aspect van de (medische) toestand van een patiënt. Het vaststellen van een conditie is een hypothese of een oordeel van de zorgverlener, en is daarmee meer of minder waarschijnlijk. Een zorgverlener, zoals de apotheker, kan een conditie vaststellen uit beschikbare informatie, bijvoorbeeld uit de voorgeschreven medicatie. Een conditie kan bijvoorbeeld een ziekte zijn, ook zwanger zijn is een conditie, maar ook het feit dat iemand een fanatiek sportbeoefenaar is, is een verwoording van een conditie. Een conditie kan tijdelijk optreden (bijvoorbeeld het hebben van de griep), maar kan ook chronisch zijn (bijvoorbeeld een genetisch kenmerk). Het feit dat iemand een bepaalde conditie heeft kan een contra-indicatie zijn voor het gebruik van een geneesmiddel. Deze relatie is beschreven in [Def medicatiedomein]. |
|
Diagnose |
Een diagnose is een beschrijving van een medische stoornis of aandoening waaraan iemand verondersteld wordt te lijden. Het is een hypothese of een oordeel van de zorgverlener. Het kan nodig zijn de diagnose in het beloop van het toestandsbeeld van de patiënt te herzien. N.B. Comorbiditeit is het tegelijkertijd hebben van twee of meer stoornissen of aandoeningen. Het begrip Comorbiditeit wordt in dit domein niet meer gebruikt. In plaats daarvan wordt gesproken over diagnosen. |
|
Overgevoeligheid |
Een overgevoeligheid is een patiëntkenmerk (conditie), dat kan leiden tot een ongewenste reactie op blootstelling aan bepaalde stoffen.
Een overgevoeligheid zal dus een (relatieve) contra-indicatie vormen voor het gebruik van geneesmiddelen die deze stoffen bevatten.
Een overgevoeligheid is de potentie tot het ontstaan van een (patiëntgebonden) bijwerking. In het conditiedomein beperken we ons tot overgevoeligheden voor (stoffen uit) geneesmiddelen.
N.B. Het begrip overgevoeligheden is synoniem met het begrip intolerantie. |
|
Allergie |
Een allergie is een vorm van overgevoeligheid, met als verbijzondering dat de ongewenste reactie wordt veroorzaakt door het immuunsysteem van het lichaam. Een allergie is dus per definitie een overgevoeligheid, maar een overgevoeligheid is niet altijd een allergie. |
|
Observatie |
Een observatie ondersteunt het stellen van een conditie. Het is een onderzoeksresultaat dat als gevolg van het beschouwen van een situatie is verkregen. Voorbeelden zijn een lengtemeting, een diagnosestelling, een labonderzoek en een allergietest. |
|
Niet-medisch kenmerk |
Een niet-medisch kenmerk is een conditie die een potentiële contra-indicatie kan vormen voor het voorschrijven van bepaalde geneesmiddelen. Bijv: lactatie, professioneel sporter, kinderwens. |
|
Genetisch kenmerk |
Een genetisch kenmerk is een conditie van een patiënt die een genetisch aspect beschrijft. |
|
Stof |
Zie definitie medicatiedomein [Def medicatiedomein] |

Diagram GBX.dCON.d2030: Informatiemodel van het Conditiedomein
Legenda: de klassen met een miniatuurtabel erin geven aan dat deze klassen worden geduid aan de hand van een tabel.
In deze paragraaf worden de informatieobjecten nader gedefinieerd. Voor ieder informatieobject wordt beschreven uit welke attributen het bestaat, en wat de cardinaliteit van de attributen is.
Cardinaliteiten die voorkomen zijn:
0..1 : nul of één attribuut aanwezig
1 : verplicht één attribuut aanwezig
0..* : nul of meer attributen aanwezig
1..* : één of meer attributen aanwezig
Zie tabel GBX.dMED.t2040.
In de context van het informatiemodel wordt hier de conditiestellende auteur bedoeld. Dit kan een zorgverlener zijn, maar ook een patiënt. Indien dit een zorgverlener is, dan gelden de attributen zoals in de tabel hieronder beschreven. Indien dit een patiënt is, dan wordt verwezen naar par. 4.2.1.
Tabel GBX.dCON.t2050: Attributen van de Zorgverlener
|
Attribuut |
Definitie |
Additionele informatie |
|
Zorgverlener.zorgverleneridentificatie (1) |
Unieke identificatie van een zorgverlener |
Het UZI nummer of AGB nummer |
|
naam (0..1) |
De naam van de zorgverlener |
|
|
rol (0..1) |
De (gecodeerde) rol van de zorgverlener (bijvoorbeeld: huisarts) wordt gerepresenteerd in een code |
Deze codes zijn gebaseerd op de Certification Practice Statement (CPS) van het UZI-register, die weer verwijst naar de tabellen voor “Beroepstitels, opleidings¬titels en specialismen”. Deze sluiten aan op artikel 3 en artikel 34 uit de wet BIG). Bijvoorbeeld de code voor huisarts |
|
adres (0..1) |
Het adres waarop de zorgverlener te bereiken is. |
|
|
instelling.identificatie (0..1) |
De unieke identificatie van de instelling waar de zorgverlener werkzaam is. |
Het betreft de URA van de instelling. |
|
instelling.naam |
De naam van de instelling. |
|
|
instelling.adres (0..1) |
Het adres van de instellling |
|
|
contactgegevens (0..1) |
De contactgegevens van de zorgverlener. Bijvoorbeeld een telefoonnummer of een postadres. |
|
Tabel GBX.dCON.t2060: Attributen van een Conditie
|
Attribuut |
Definitie |
Additionele informatie |
|
identificatie (1) |
De unieke identificatiecode van de vastgelegde conditie. |
|
|
type (1) |
Het subtype van de conditie, bijvoorbeeld diagnose of overgevoeligheid. |
Op HL7 niveau is het aantal typen beperkter dan op logisch niveau. |
|
afgeleid (1) |
Geeft aan of het al dan niet een afgeleide conditie betreft. |
|
|
classificatie (1) |
Geeft aan om welke conditie het gaat. |
Co-morbiditeiten worden gestructureerd doorgegeven. De koepelorganisaties zijn bij monde van de werkgroep ICA overeengekomen om in de context van medicatiebewaking naar een nationale Contra-indicatie lijst toe te werken. Deze nationale contra-indicatielijst zal verwerkt worden in de thesaurus tabel 40 van de G-standaard. Het is toegestaan om SHB codes te gebruiken, omdat deze tijdelijk anders kunnen zijn, dan de Tabel 40. Systemen zijn niet verplicht om de SHB lijst te begrijpen. |
|
notities (0..*) |
Een notitie van de conditievaststellende zorgverlener. |
|
|
vaststellingsmoment (0..1) |
Het moment waarop de conditie werd vastgesteld. |
|
|
geldigheidstermijn (0..1) |
Tijdsinterval waarin de conditie ‘actief’ was. Voor zover bekend. |
Bijvoorbeeld de start- en einddatum van een zwangerschap. |
|
conditiestatus (0..1) |
Er zijn vier statussen mogelijk: Actief, afgelopen, achterhaald, geannuleerd. |
|
|
onzekerheidsaanduiding (1) |
Geen uitspraak of onzeker naar de mening van de auteur |
Ofwel er wordt geen uitspraak gedaan, ofwel de auteur spreekt uit dat er sprake is van onzekerheid. |
|
ernst (0..1) |
Alleen vullen indien overgevoeligheid bij een geneesmiddel. |
“Mild”, “matig ernstig” en “ernstig” |
|
ontkenningsindicator (0..1) |
Geeft aan of het bestaan van een conditie wordt ontkend. |
De ontkenningsindicator is bedoeld om aan te duiden, dat er onderzoek is verricht, maar dat de uitslag negatief is geweest.Bijv. lab-onderzoek op jicht. Als een patiënt een conditie niet meer heeft, dan wordt dat met de status en einddatum in effective time aangeduid. |
|
Referentie (0..*) |
Relatie met eerdere conditie. |
Er wordt verwezen via de conditie.identificatie |
Tabel GBX.dCON.t2070: Attributen van de Overgevoeligheid
|
Attribuut |
Definitie |
Additionele informatie |
|
Veroorzaker (1) |
Eén van onderstaande § Handelsproduct (code) § Stof (code) § Stoftoedieningswijze combinatie (code) § Geneesmiddelgroep (code) |
|
De informant is degene die de conditiestellende zorgverlener informeert over de conditie. De informant kan een zorgverlener zijn, maar ook een persoonlijke relatie van de patiënt, of de patiënt zelf.
Tabel GBX.dCON.t2080: Attributen van de Informant
|
Attribuut |
Definitie |
Additionele informatie |
|
Eén van de volgende attributen: |
||
|
Persoon (0..1) |
Verplicht wanneer de conditie wordt verkregen van een relatie (bijv. ouder of familielid) van de patiënt. |
Zie de implementatiehandleiding [HL7v3 DS Condition] voor details. |
|
Zorgverlener (0..1) |
Bevat dezelfde gegevens als de klasse zorgverlener |
UZI-nummer |
|
Patiënt (0..1) |
Geeft aan of de patiënt over wie geïnformeerd wordt, zelf de informant is. |
|
Een potentiële contra-indicatie is een conditie waarvan hetmogelijk is (over het algemeen) dat in combinatie met geneesmiddelgebruik door een patiënt, een contra-indicatie kan optreden.
De set potentiële contra-indicaties omvat alle condities die zijn opgenomen in de nationale contra-indicatielijst tabel 40 van de G-standaard en overgevoeligheden. SHB codes kunnen ook gebruikt worden als zij nog niet opgenomen zijn in de nationale contra-indicatielijst. Systemen zijn niet verplicht om de SHB codes te begrijpen. De lijst heeft tot doel (in de context van AORTA) om voor een bronsysteem van condities te herkennen welke condities moeten worden opgeleverd indien potentiële contra-indicaties opgevraagd worden.
Een geneesmiddelgroep is een groep of een soort geneesmiddel. Een patiënt kan overgevoelig zijn voor alle geneesmiddelen uit een dergelijke groep.
De geneesmiddelgroepen waarvoor dit kan gelden zijn vastgelegd in de tabel G-standaardtabel 122, [g standaard].
Eenzelfde (werkzame) stof kan op meerdere wijzen aan een patiënt worden toegediend.
Dit object beschrijft de verschillende wijzen van toediening.
De stoftoedieningswijze combinatie beschrijft de combinatie van stof en toedieningswijze waarvoor een patiënt overgevoelig kan zijn.
Zie medicatiedomein [Def medicatiedomein] bij geneesmiddel.
Zie medicatiedomein [Def medicatiedomein].
Een geneesmiddel bestaat uit stoffen. Ieder geneesmiddel heeft minimaal één werkzame stof en nul of meer hulpstoffen.
Gegevenssoorten zijn categorieën van informatieobjecten die aangemeld kunnen worden bij de verwijsindex van het landelijk schakelpunt. Deze paragraaf beschrijft welke gegevenssoorten in dit domein bestaan en welke informatieobjecten tot deze gegevenssoorten behoren.
Vrijgegeven informatie kan (na aanmelding bij de verwijsindex) via AORTA worden uitgewisseld. Lokaal afgeschermde informatie mag niet via AORTA worden uitgewisseld.
De hieronder genoemde gegevenssoorten staan in een hiërarchische relatie tot elkaar: overgevoeligheden is een specialisatie van condities. Deze gegevenssoorten worden apart aangemeld en beheerd: als een conditie een overgevoeligheid betreft, wordt dit als een overgevoeligheid aangemeld bij de VWI. Aanmelden en afmelden bij de VWI kan alleen op het niveau van een gegevenssoort. Afschermen van één conditie of overgevoeligheid kan alleen op het lokale niveau plaatsvinden. Zie daarvoor de tabellen GBX.dCON.t2090 en GBX.dCON.t2100 hieronder.
Tabel GBX.dCON.t2090
|
Informatieobject |
Gegevenssoort |
Aggregatieniveau voor lokaal vrijgeven en afschermen (zie GBX.OPV.e4520 en GBX.OPV.e4530) |
|
Conditie |
Conditie |
Een conditie moet afzonderlijk kunnen worden vrijgegeven of afgeschermd. |
De eerste aanmelding en heraanmelding van de gegevenssoort is conform de generieke eisen. Ook afmelden van de gegevenssoort is volgens de generieke eisen. Wanneer een applicatie lokaal afschermen implementeert, mag/mogen de afgeschermde (groep) condities niet opgeleverd worden als reactie op een raadpleging.
Er zijn geen afwijkende specificaties ten opzichte van het ontwerp autorisatieprofiel ([Ontw APF]).
Overgevoeligheid is een specialisatie van conditie.
Tabel GBX.dCON.t2100
|
Informatieobject |
Gegevenssoort |
Aggregatieniveau voor lokaal vrijgeven en afschermen (zie GBX.OPV.e4520 en GBX.OPV.e4530) |
|
Overgevoeligheid |
Overgevoeligheid |
Een overgevoeligheid moet afzonderlijk kunnen worden vrijgegeven of afgeschermd. |
|
Conditie |
Conditie |
Een conditie moet afzonderlijk (op regelniceau) kunnen worden vrijgegeven of afgeschermd. |
De eerste aanmelding en heraanmelding van de gegevenssoort is conform de generieke eisen. Elke wijziging in condities leidt dus tot een heraanmelding. Ook afmelden van de gegevenssoort is volgens de generieke eisen. Wanneer een applicatie lokaal afschermen implementeert, mag/mogen de afgeschermde (groep) condities en/of overgevoeligheden niet opgeleverd worden als reactie op een raadpleging.
Er zijn geen afwijkende specificaties ten opzichte van het ontwerp autorisatieprofiel ([Ontw APF]).
|
Referentie |
Document |
Versie |
|
6.11.0.0 |
||
|
6.12.0.0 |
||
|
6.11.0.0 |
||
|
6.12.0.0 |
||
|
6.12.0.0 |
||
|
|